Van Landschoot

800 jaar familiegeschiedenis

Een kerkelijk pensioen voor Adegem

De borgstelling van 7 mei 1556 — Maldegem, Adegem en Zoetendale.

7 mei 1556

Pieter, Lamsijn en Laureijns van Landtschoot — borgstelling rond de parochiebediening van Adegem

Voor de schepenen van Maldegem verbindt een groep inwoners zich tot waarborg van een jaarlijks pensioen van zes pond groten voor meester Phillips Dhoije, kanunnik van Sint-Baafs te Gent. De regeling houdt volgens de overgeschreven tekst verband met zijn afstand van de parochiebediening van Adegem en de intrede van heer Pieter vander Smisse. Onder de borgen staan Pieter, zoon van Sijmon van Landtschoot, Lamsijn van Landtschoot en Laureijns van Landtschoot.

Verantwoording. Deze uitwerking berust op de aangeleverde transcriptie, niet op een controle van de originele akte. Beschadigde of moeilijk leesbare passages worden niet stilzwijgend aangevuld. De datering is overeenkomstig de correctie van Hans Van Landschoot vastgesteld op 7 mei 1556. De moeilijk leesbare woorden blijven als zodanig aangeduid.

1. Hertaling in hedendaags Nederlands

Inhoudelijke hertaling. De volledige personenlijst staat afzonderlijk onder onderdeel 4. Vierkante haken markeren onzekerheid of een lacune.

Wij, Charles Van Hoogheweghe, Cornelis Scellebroot, Jan Gevaert, Pieter Houck en Antheunis Pape, schepenen binnen de heerlijkheid en het ambacht Maldegem, maken aan iedereen bekend dat voor ons persoonlijk zijn verschenen de hieronder genoemde personen. De eerste groep wordt omschreven als Maldegemse laten en parochianen, wonend binnen de heerlijkheid Maldegem. De tweede groep bestaat uit keurbroeders van Eeklo die in de parochie Adegem wonen.

Deze comparanten stellen zich [de precieze inleidende formule is onzeker] borg en hoofdelijk schuldenaar, ieder voor de anderen en één voor allen. Zij doen dit op verzoek van heer Pieter vander Smisse, priester en parochiepastoor van Adegem.

Hun verbintenis dient als waarborg voor de voldoening en betaling van een jaarlijks pensioen van zes pond groten ten voordele van meester Phillips Dhoije, kanunnik van de collegiale kerk van Sint-Baafs te Gent, die daar op dat ogenblik resideert. Dit pensioen zal gedurende zijn leven worden betaald.

De betaling gebeurt in twee jaarlijkse termijnen, met Kerstmis en met Sint-Jansmis. De eerste genoemde termijnen zijn Kerstmis 1556 en de daaropvolgende Sint-Jansmis in 1557, overeenkomstig de gecorrigeerde datering.

Tot zekerheid van deze verbintenis verbinden de genoemde personen al hun huidige en toekomstige goederen, renten en [verdere vermogensbestanddelen; de lezing “commeren” is onzeker], waar die zich ook bevinden. Niets wordt daarvan uitgezonderd. [Hier volgt een gedeeltelijk onleesbare passage over afstand van rechten of verweermiddelen; de tekst in de plooi ontbreekt.]

Dit alles strekt tot vrijwaring en bescherming van de eerwaarde heer [naam onzeker, overgeschreven als “Zaghens”], de huidige prelaat, en zijn kloostergemeenschap van Zoetendale. De transcriptie situeert dit klooster “bij Middelburch in Zeeland” [plaatsaanduiding te controleren].

Meester Lenaert van den Capperle, notaris en hierbij aanwezig, aanvaardt deze beloften, verbintenissen en vrijwaring namens de genoemde prelaat. De reden daarvoor is dat de prelaat en zijn gemeenschap zich gezamenlijk zullen verbinden tot het opbrengen en jaarlijks betalen van het genoemde pensioen.

Dat pensioen zal krachtens het gezag van de paus worden gevestigd op de wereldlijke goederen van [de instelling; de woorden zijn hier gebrekkig overgeschreven] en het klooster Zoetendale. Het bedrag zal jaarlijks worden betaald aan meester Phillips Dhoije of aan iemand die door hem is gemachtigd.

Het pensioen gaat in wanneer meester Phillips Dhoije afstand heeft gedaan van zijn [vermoedelijk: cure, de parochiebediening van Adegem] en heer Pieter vander Smisse in het daadwerkelijke bezit en genot daarvan zal zijn gesteld. Volgens de transcriptie moet dit vóór de eerstkomende Sint-Jansmis gebeuren.

Daarna zal de betaling jaarlijks op de genoemde vervaldagen plaatsvinden, gedurende het leven van meester Phillips Dhoije en niet langer, zonder bedrog.

Ten bewijze van de waarheid hebben wij, de bovenvermelde schepenen, deze brief laten bezegelen met de zegels van ons schepenambt, die hieraan hangen. Gedaan op de zevende dag van mei, in het jaar vijftienhonderdzesenvijftig.

2. Verklaring — wat wordt hier geregeld?

Een uitkering bij het afstaan van de parochiebediening

De meest samenhangende lezing is dat Phillips Dhoije zijn rechten op de bediening van Adegem afstaat en dat Pieter vander Smisse die overneemt. Dhoije behoudt daarbij een jaarlijkse uitkering van zes pond groten zolang hij leeft. De combinatie van afstand doen, bezit nemen en een levenslange betaling ondersteunt deze uitleg. De woorden die als “huere” en “ghresunneert” zijn overgeschreven, moeten op het origineel worden nagezien; mogelijk gaat het om cure en geresigneerd.

Het “pensioen” is hier de in deze akte geregelde persoonlijke inkomstenvoorziening. Uit de tekst volgt niet dat Dhoije wegens ouderdom of ziekte terugtreedt. Evenmin blijkt dat hij zelf tot dan toe alle pastorale taken ter plaatse uitvoerde.

Twee lagen van zekerheid

  1. De kloosterlijke verplichting: de prelaat en de gemeenschap van Zoetendale zullen zich verbinden tot betaling; hun wereldlijke goederen worden als basis van het pensioen genoemd.
  2. De plaatselijke borgstelling: de comparanten verbinden zich op verzoek van Pieter vander Smisse en vrijwaren de prelaat en zijn gemeenschap voor de verplichting die zij aangaan.

De inwoners bieden dus zekerheid voor een betalingsregeling waarbij ook het klooster wordt betrokken. Dat is iets anders dan een bewijs dat ieder van hen jaarlijks een vast, gelijk aandeel betaalde. De akte noemt geen individuele verdeelsleutel en bewijst op zichzelf geen feitelijke betalingen.

“Elk voor andere ende een voor allen”

Deze woorden duiden op een hoofdelijke verbintenis: de aansprakelijkheid is niet beperkt tot een vooraf genoemd persoonlijk aandeel. Binnen de voorwaarden van de akte kan één verbondene voor de gehele verschuldigde prestatie worden aangesproken. De kwalificatie “borghe ende principael” versterkt het karakter van hun verbintenis. De precieze juridische uitwerking van de afstandsclausules blijft door het tekstverlies onzeker.

Zes pond groten, tweemaal per jaar

Het jaarlijkse bedrag is duidelijk: zes pond groten. Er zijn twee vervaldagen, Kerstmis en Sint-Jansmis. Waarschijnlijk worden twee gelijke termijnen bedoeld, maar de aangeleverde tekst vermeldt niet uitdrukkelijk “drie pond per termijn”. De regeling eindigt bij het overlijden van Dhoije; er wordt geen voortzetting voor zijn erfgenamen genoemd.

Woonplaats en rechtspositie zijn verschillende gegevens

De akte onderscheidt Maldegemse laten van keurbroeders van Eeklo die in Adegem wonen. “Laat” beschrijft hier de verhouding tot een heerlijkheid en haar rechtsmacht; het woord mag niet zonder meer als bewijs van persoonlijke onvrijheid worden gelezen. “Keurbroeder van Eeklo” duidt op een rechtspositie verbonden aan Eeklo. Het feit dat deze personen in Adegem wonen, is daarmee in de tekst verenigbaar. Voor een precieze omschrijving van hun voorrechten is aanvullend onderzoek naar de toepasselijke keur nodig.

Zoetendale en de plaatsnaam Middelburg

De lokale context en de opgegeven archiefreeks wijzen naar de abdij Zoetendale bij Maldegem en het Vlaamse Middelburg. De Inventaris Onroerend Erfgoed situeert die abdij op de grens van Maldegem, Middelburg en Moerkerke. De toevoeging “in Zeeland” in de transcriptie moet daarom op het origineel worden gecontroleerd; ze wordt hier niet als vaststaand overgenomen. Bron: Inventaris Onroerend Erfgoed, Abdij van Zoetendale.

3. Boektekst — de familie Van Landtschoot als borg

Een gezamenlijke waarborg voor de parochie van Adegem

Een zestiende-eeuwse schepenakte uit Maldegem werpt licht op de betrokkenheid van plaatselijke inwoners bij de financiële regeling rond een wisseling in de parochiebediening van Adegem. Op 7 mei 1556 verschenen voor de schepenbank verschillende mannen en ook een echtpaar.

Centraal in de overeenkomst stonden twee geestelijken. Meester Phillips Dhoije, kanunnik van de collegiale kerk van Sint-Baafs te Gent, zou volgens de meest waarschijnlijke lezing zijn rechten op de parochiebediening van Adegem afstaan. Heer Pieter vander Smisse zou vervolgens in het bezit en genot daarvan worden gesteld. Aan die overgang was een financiële voorwaarde verbonden: Dhoije zou voor de rest van zijn leven jaarlijks zes pond groten ontvangen, betaalbaar in twee termijnen, met Kerstmis en Sint-Jansmis.

Ook de prelaat en de kloostergemeenschap van Zoetendale werden in deze regeling betrokken. Zij zouden zich verbinden tot de jaarlijkse betaling, waarbij de wereldlijke goederen van het klooster als grondslag voor het pensioen worden genoemd. De akte voorziet daarvoor in kerkelijke bekrachtiging onder pauselijk gezag. De voor de Maldegemse schepenen verschenen inwoners stelden zich op hun beurt borg en boden de kloostergemeenschap vrijwaring voor die verbintenis. Notaris Lenaert van den Capperle aanvaardde hun beloften namens de prelaat.

Onder deze borgen bevonden zich drie naamdragers die voor de familiegeschiedenis Van Landtschoot van bijzonder belang zijn. Pieter, zoon van Sijmon van Landtschoot, en Lamsijn van Landtschoot staan in de groep die als Maldegemse laten en parochianen wordt omschreven. Laureijns van Landtschoot verschijnt in een afzonderlijke groep: de keurbroeders van Eeklo die in de parochie Adegem woonden. De opsomming bewaart daarmee niet alleen hun namen, maar ook een onderscheid in hun rechtspositie.

Hun optreden bleef niet beperkt tot aanwezigheid als getuige. Samen met de andere comparanten verbonden zij zich “elk voor andere ende een voor allen”. Zij stelden hun huidige en toekomstige goederen tot zekerheid, zonder in de bewaarde transcriptie een persoonlijk aandeel in de schuld af te bakenen. Voor hen kon deze borgstelling dus vermogensrechtelijke gevolgen hebben. Hoe zij het risico onderling verdeelden en of zij later daadwerkelijk werden aangesproken, blijkt uit deze akte niet.

Voor Pieter bevat het stuk een rechtstreeks genealogisch gegeven: zijn vader heette Sijmon. Bij Lamsijn en Laureijns ontbreekt een dergelijke vadersnaam. Hun gezamenlijke optreden toont dat zij bij dezelfde plaatselijke aangelegenheid betrokken waren, maar bewijst geen onderlinge verwantschap. Ook mag Lamsijn zonder aanvullende gegevens niet automatisch met een elders genoemde Lambrecht worden vereenzelvigd.

Zo maakt de akte zichtbaar hoe een kerkelijke inkomstenregeling werd ondersteund door persoonlijke verbintenissen van inwoners uit de omgeving. De drie Van Landtschoots namen daarin een concrete verantwoordelijkheid op. De schepenen van Maldegem legden hun belofte vast en bekrachtigden de overeenkomst met de aan de akte gehangen zegels.

4. Wie is wie? Volledige personenlijst

De vijf schepenen

Charles Van Hoogheweghe; Cornelis Scellebroot; Jan Gevaert; Pieter Houck; Antheunis Pape.

Maldegemse laten en parochianen

  1. Pieter Lambrecht, zoon van Pieter.
  2. Mathijs Huijssens.
  3. Cornelis Scellebroot.
  4. Jan, zoon van Pieter Ghevaert (overgeschreven: “Jan filius Pieter Ghevaerts”).
  5. Joos, zoon van Pieter Lambrecht.
  6. Pieter Danckaert.
  7. Jan Zoetaert.
  8. Phillips Roelof, zoon van Jan.
  9. Jan Veltganck.
  10. Jan Calfheer.
  11. Pieter, zoon van Sijmon van Landtschoot.
  12. Cornelis, zoon van Cornelis Danckaert.
  13. Jan de Rijcke, zoon van Jan.
  14. Jan van Steenberghe.
  15. Phillips Gederthiere.
  16. Pieter van Loo.
  17. Lamsijn van Landtschoot.
  18. Jan, zoon van Pieter Scellebroot.
  19. Claeijss van de Paradise.
  20. Martijne, zijn vrouw; haar familienaam wordt niet gegeven.

Keurbroeders van Eeklo, wonend in Adegem

  1. Cornelis, zoon van Cornelis van Schoonacker.
  2. Jan, zoon van Joos Dijserinc.
  3. Cornelis de Vulder.
  4. Laureijns van Landtschoot.
  5. Jacop, zoon van Jacob Bolle.

De transcriptie noemt zo 25 comparanten, met Martijne als afzonderlijke persoon meegeteld. Cornelis Scellebroot staat zowel bij de schepenen als bij de comparanten. Het kan om dezelfde persoon gaan, maar die identificatie vraagt controle. Ook de schepen Jan Gevaert mag niet zonder meer worden gelijkgesteld met Jan, zoon van Pieter Ghevaert.

Geestelijken en vertegenwoordiger

NaamRol volgens de transcriptie
Heer Pieter vander SmissePriester, aangeduid als parochiepastoor van Adegem; verzoekt om de borgstelling en zal volgens het slotgedeelte in het bezit van de bediening worden gesteld.
Meester Phillips DhoijeKanunnik van Sint-Baafs te Gent; begunstigde van het levenslange pensioen; vermoedelijk degene die de cure afstaat.
Heer “Zaghens” [onzekere lezing]Prelaat van Zoetendale; samen met zijn kloostergemeenschap betrokken bij de betalingsverplichting.
Meester Lenaert van den CapperleNotaris; aanvaardt de beloften en vrijwaring namens de prelaat.
5. Genealogische betekenis voor Van Landtschoot
PersoonWat de tekst ondersteuntWat openblijft
Pieter van LandtschootWordt uitdrukkelijk “filius Sijmons” genoemd: zoon van Sijmon. Behoort tot de groep Maldegemse laten en parochianen.Moeder, echtgenote, kinderen, leeftijd en exacte woonplaats worden niet genoemd.
Lamsijn van LandtschootVerschijnt als borg in dezelfde eerste groep.Geen patroniem. De naamvorm behouden tot het origineel of aanvullende akten een identificatie ondersteunen.
Laureijns van LandtschootKeurbroeder van Eeklo en inwoner van de parochie Adegem.Geen patroniem of echtgenote vermeld; identificatie met gelijknamigen uit andere bronnen vraagt extra bewijs.

De enige uitdrukkelijke afstammingsrelatie binnen deze drie vermeldingen is: Sijmon van Landtschoot → zijn zoon Pieter. De akte noemt geen verwantschap tussen Pieter, Lamsijn en Laureijns.

De tweede groep krijgt expliciet Adegem als woonparochie toegewezen. Voor Pieter en Lamsijn zegt de groepsomschrijving alleen dat zij binnen de heerlijkheid Maldegem wonen. Hun betrokkenheid bij de Adegemse kerkregeling maakt een band met Adegem aannemelijk, maar vervangt geen uitdrukkelijke woonplaatsvermelding.

6. Gecorrigeerde datering en moeilijke lezingen

De gecorrigeerde datering: 7 mei 1556

Hans Van Landschoot heeft het jaartal gecorrigeerd naar 1556. Deze pagina volgt die correctie. Zij sluit aan bij de bronnotitie “Blauwe nrs RAB Jezuïeten Brugge N° 002633 * 1556”. De eerdere vermelding 1565 is daarmee vervangen.

De in het afschrift weergegeven datumwoorden “zessenvichtigh” en “zenevenvichtich” worden binnen deze gecorrigeerde datering begrepen als 1556 en 1557. Deze redactionele verwerking van de correctie is geen nieuwe controle van het handschrift.

Overige leesproblemen

  • “ad jourckelicken astijmeerder”: niet betrouwbaar te reconstrueren. De daaropvolgende borgstelling is wel duidelijk.
  • “tleenen langh”: waarschijnlijk een beschadigde weergave van “zijn leven lang”, ondersteund door het duidelijke levensduurvoorbehoud aan het slot.
  • “huere”: vermoedelijk “cure”, gezien de afstand en de daaropvolgende inbezitstelling van de parochiebediening. Dit blijft een voorgestelde lezing.
  • “ghresunneert”: vermoedelijk een vorm van “resigneren”, afstand doen van een kerkelijk ambt of beneficie.
  • “Zaghens”: onzekere persoonsnaam; de prelaat wordt niet nader geïdentificeerd.
  • “weduwe ende clooster”: past niet goed in de zinsbouw. Mogelijk zit hierin een andere institutionele aanduiding, maar er wordt geen vervangende lezing opgedrongen.
  • De plooi en de daaropvolgende rechtsformule: te onvolledig om specifieke rechtsmiddelen of Latijnse formules met zekerheid te benoemen.
  • “in Zeeland”: geografisch problematisch bij identificatie met Zoetendale bij Maldegem; opnieuw lezen op het origineel.

De afschriftelijke aanduiding van Pieter vander Smisse als parochiepastoor naast een nog toekomstige inbezitstelling hoeft niet noodzakelijk tegenstrijdig te zijn: titel en formele inbezitstelling kunnen in verschillende stappen worden vermeld. De precieze stand van de overdracht blijft hier echter onzeker.

7. Bronvermelding en verantwoording

Aangeleverde archiefverwijzing: RAB, Jezuïeten Brugge, blauwe nummers, nr. 002633, met toevoeging “1556”. Gecorrigeerde datering: “Akte van 7 mei 1556 – Maldegem”.

Basis van hertaling en analyse: de door Hans Van Landschoot aangeleverde transcriptie. De weergave is een inhoudelijke hertaling en een voorlopige interpretatie, geen diplomatische editie van het origineel.

Externe contextbron: Agentschap Onroerend Erfgoed, Abdij van Zoetendale, geraadpleegd op 1 oktober 2026. Alleen gebruikt voor de lokalisering van de abdij.

Aanbevolen korte verwijzing: “Borgstelling voor een kerkelijk pensioen in verband met de parochiebediening van Adegem, 7 mei 1556, RAB, Jezuïeten Brugge, blauwe nummers, nr. 002633; naar aangeleverde transcriptie.”

← Terug naar het historisch overzicht 1550–1600↑ Naar boven