Een rentebrief rond Wostwincle
De akte begint met de verklaring van Kateline, jonkvrouw van Wostwincle. Zij maakt bekend aan allen die deze brief zullen zien of horen voorlezen, dat zij een vroegere overeenkomst erkent. Die overeenkomst was gemaakt door haar heer, Soyer van Wostwincle, voor de schepenen van Somergem, volgens recht en vonnis van de schepenbank.
Het ging om een jaarlijkse rente van acht pond en tien schellingen, te betalen op Sint-Baafsdag. Deze rente rustte op land van Soyer van Wostwincle, gelegen te Brebrouch, in de parochie van Wostwincle.
“Jc kateline Joncvere Van wostwincle done te wetene allen den ghenen die dese lettren sullen sien ende horen lesen...”