Eigenaars binnen de familie Van Landschoot
Grondbezit, hofsteden, meersen, bossen en onderlinge verpachtingen in Knesselare tussen 1571 en 1574.
De kohieren uit de jaren 1571 tot 1574 tonen dat verschillende leden van de familie Van Landschoot in Knesselare over aanzienlijke eigendommen beschikten. Hun bezit bestond uit hofsteden, bouwland, meersen en bossen. Daarnaast traden meerdere familieleden op als verpachter, soms tegenover andere personen uit dezelfde familie. Het geheel wijst op een stevig verankerd en onderling verweven familiebezit.
Gerolf van Landschoot
Gerolf van Landschoot beschikte over meerdere goederen in Knesselare. Zo bezat hij een perceel van 180 roeden in “het veld”, dat jaarlijks twee schellingen opbracht en eveneens met twee schellingen werd belast. Daarnaast was hij eigenaar van een hofstede van 150 roeden en van een perceel van 17 gemeten en 50 roeden. Gerolf trad ook op in verpachtingen. Met in totaal meer dan achttien gemeten grond en verschillende opbrengsten behoorde hij duidelijk tot de grotere grondbezitters binnen de familie.
Jan van Landschoot
Ook Jan van Landschoot bezat een omvangrijk patrimonium. Hij had een hofstede van 300 roeden en verschillende grote percelen, waaronder een stuk van 17 gemeten en 100 roeden en een ander van 18 gemeten en 50 roeden. Jan was niet alleen eigenaar, maar trad eveneens op als verpachter. Dat hij goederen aan leden van zijn eigen familie in gebruik gaf, wijst op nauwe economische samenwerking binnen de familiegroep.
Jan van Landschoot WE
In het kohier verschijnt daarnaast een Jan van Landschoot WE. Het is niet zeker of deze vermelding betrekking heeft op dezelfde Jan, op een weduwenbezit of op een andere familietak. Zijn eigendommen lagen vooral in de vierde wijk van Knesselare. Hij bezat er onder meer een hofstede met 200 roeden land, een meers van 100 roeden, een bos van drie gemeten en verscheidene kleinere stukken grond die samen ruim zeven gemeten omvatten.
De afzonderlijke opbrengsten waren eerder bescheiden, maar samen vormden deze goederen een breed verspreid patrimonium. Mogelijk was dit bezit door erfenis of een eerdere verdeelakte tot stand gekomen. Ook deze eigenaar verpachtte aan familieleden, onder wie Marijn van Landschoot en Willem filius Jan.
Marijn van Landschoot
Marijn van Landschoot bezat een bijzonder uitgebreide verzameling goederen. Tot zijn patrimonium behoorden een perceel van tien gemeten zonder nadere situering, een hofstede van 150 roeden en talrijke percelen in de vierde wijk. Daaronder bevonden zich negen gemeten en 100 roeden land, 350 roeden meers en een bos van bijna drie gemeten.
Alles samen beschikte Marijn over ruim 24 gemeten aan uiteenlopende gronden. Ook hij was actief als verpachter. Onder zijn pachters worden onder meer Lieven Poelman en Joos Claeys genoemd, in een regeling waarbij ook Willem betrokken was. Marijn behoorde daarmee tot de meest vermogende Van Landschoots die in deze kohieren voorkomen.
Mark van Landschoot WE
Mark van Landschoot WE komt veel bescheidener voor. Hij bezat een huis waarvan de ligging niet nader werd omschreven. Dit goed bracht jaarlijks vijf schellingen op. In 1574 gebruikte hij hetzelfde bezit opnieuw. Hoewel zijn vermelding klein is, bevestigt zij dat ook deze familietak in Knesselare over onroerend goed beschikte.
Pieter van Landschoot
Pieter van Landschoot verschijnt vooral als verpachter. Hij gaf een perceel van negen gemeten en 200 roeden in pacht aan Gerolf van Landschoot. De jaarlijkse pachtsom bedroeg vier pond. Deze overeenkomst is een duidelijk voorbeeld van economische samenwerking en grondgebruik binnen de familie zelf.
Willem van Landschoot
Willem van Landschoot bezat in de vierde wijk een stuk land van negen gemeten en 200 roeden en daarnaast 200 roeden meers. Hij verpachtte deze goederen zowel in 1571 als in 1574 aan Willeboord Herbaut en Jan Steeman.
Ook Willem filius Jacob, wellicht een zoon van Jacob van Landschoot, trad als verpachter op. Hij verpachtte een hofstede met acht gemeten en 200 roeden aan Willem filius Jan. De toevoegingen bij de voornamen waren noodzakelijk om de verschillende naamgenoten uit elkaar te houden en kunnen van groot belang zijn bij de verdere reconstructie van de Knesselaarse familietakken.
Historische duiding
De gegevens maken duidelijk dat de familie Van Landschoot in het laatste kwart van de zestiende eeuw niet uit één afzonderlijk huishouden bestond, maar uit verschillende nauw verbonden gezinnen en familietakken. De herhaalde vermeldingen van dezelfde voornamen, aangevuld met aanduidingen als filius Jan en filius Jacob, tonen hoe noodzakelijk het was om naamgenoten administratief van elkaar te onderscheiden.
De combinatie van hofsteden, akkerland, meersen en bossen wijst op een gemengde landbouwstructuur. Bouwland leverde gewassen, meersen waren belangrijk voor hooi en vee, terwijl bossen hout en ander gebruiksmateriaal verschaften. Wie meerdere soorten gronden bezat, beschikte over een veelzijdige economische basis.
Vooral de verpachtingen binnen de familie zijn genealogisch interessant. Zij kunnen wijzen op verwantschap, gezamenlijke bedrijfsvoering, erfenisverdelingen of tijdelijke overdrachten tussen ouders, kinderen en zijtakken. De namen Gerolf, Jan, Marijn, Pieter en Willem moeten daarom niet los van elkaar worden onderzocht, maar als onderdelen van een bredere Knesselaarse familiekring.
Betekenis voor het familieonderzoek
Voor het verdere onderzoek naar Marijn van Landschoot zijn deze gegevens bijzonder waardevol. Zijn grote bezit en zijn relaties met andere Van Landschoots maken het aannemelijk dat hij tot een gevestigde lokale tak behoorde. De vermeldingen van Jan, Willem en Gerolf als eigenaar, pachter of verpachter kunnen helpen om verwantschappen te reconstrueren en om mogelijke verbindingen met Oedelem en omliggende parochies te onderzoeken.
Bron: RAG - Kohieren en eigendomsvermeldingen van Knesselare, jaren 1571–1574. Samenvatting van de goederen, opbrengsten en verpachtingen van leden van de familie Van Landschoot.
English
Español
Français