LLOYD LANDSCOOT aan boord van de US A.T. DORCHESTER 1943

Wat gebeurde er met LLoyd F. Landscoot soldaat aan boord van de "USAT DORCHESTER (US Army Transport)"?

Video 75th Remembrance - The Four Chaplains & The Sinking of the USAT Dorchester

Visit Battery Park, NY in Sept 2004

Battery Park, NY Battery Park, NY
met mijn zoon bij de Arend van Battery Park, New York City Sept. 2004. Purple Heart
Lloyd kreeg postuum "the Purple Heart", vb hier van Charles Roegiers KIA tijdens de Slag om Bastogne in 1944. I am a 3th cousin once removed to him.


Loyd Landscoot, ND WW2 Honoree - KIA
Loyd Landscoot, ND Purple Heart
Jamestown, ND
East Coast Memorial, Battery park,NY
Memorial certificate

USAT Dorchester Files

Een bewerking van de Dorchester files vindt je hier onder.

Samenvatting van de verklaringen van overlevenden van de SS Dorchester passagiers- en vrachtschip 5654 G.T. Merchants-miner Transportation Co., geëxploiteerd door AGWI Lines, Inc., gecharterd door de Army Transport Service.

1 : De "DORCHESTER" werd zonder waarschuwing getorpedeerd rond 03:55 G(reenwich) C(entral) T(ime) op 3 februari 1943 bij 59° 22' N., 48° 42' W., terwijl hij op weg was van St John's New Foundland naar Narsarssauk, Groenland. Aan boord bevonden zich 904 passagiers en bemanningsleden, ongeveer 1.069 ton stukgoed en hout, en 60 zakken met post en pakketpost, diepgang vooraan 19', achteraan 20'1". Het schip zonk binnen de 25 minuten (ongeveer 04:20 GCT, 3 februari 1943) in de hierboven beschreven positie, eerst stortte de boeg neer na ongeveer 85° naar stuurboord over te hellen.

2 : Het schip voer op een koers van 11°, de snelheid 10 knopen in 1830 fathoms (1 fathom = 1,8288m) een ontwijkende koers (de koers veranderde om 21:30 GCT, op 2 februari 1943 naar 335° en om 00:30 GCT, 3 februari 1943 tot 55°), niet zigzaggend, geen lichten (enige onenigheid op dit punt), de radio zou stil geweest zijn, alle radio-operators verloren, ongeveer 29 uitkijkposten, één op het hoofd van het voordek, één op de bakboordbrug, 4 op de vliegbrug, 2 aan elke kant van elk dek, en de bemanning van de kanonnen en mitrailleurs (gewapende bewakers hadden een verrekijker, ook twee op de brug). Het weer was helder, de zee was glad met een lichte glans, wind N.O. windkracht 3, goed zicht, geen maanlicht, 3 schepen van het konvooi in zicht. De escortecommandant, die na een melding bericht kreeg van Cominch (C&R) van onderzeeërs in de buurt, waarschuwde de schepen in het konvooi, op zijn beurt werd een waarschuwing aangekondigd over het omroepsysteem van de US A(rmy) T(ransport) DORCHESTER, waarbij het personeel werd geadviseerd om reddingsboeien en vesten te dragen. Het is mogelijk dat niet alle personen aan boord van de DORCHESTER deze waarschuwing hebben gehoord.

3 : Om 03:55 CGT explodeerde er zonder waarschuwing iets achter de machinekamer; de explosie was gedempt, er was zeer weinig lawaai, maar wel een behoorlijke schudding aan boord. Het schip helde over naar stuurboord en verloor roer, omdat de motoren blijkbaar gestopt waren door het overstromen van de machinekamer. De romp van het schip was gescheurd in de buurt van de machinekamer, en net onder de koelinstallatie een paar meter achter midscheeps; sommige schotten waren vervormd waardoor sommige deuren vastliepen; beide generatoren en een hulpgasgenerator boven de waterlijn werkten niet meer. Het water kwam zeer snel naar binnen, soms was er rondvliegend puin, de 4e reddingsboot, daarvan dacht men dat hij door loskomende stukken was ingesloten, de 7e reddingsboot meldde dat hij buiten gebruik was geraakt. 6 noodsignalen klonken op het schip om aan te geven dat het schip werd getorpedeerd, en er geen tegenreactie kwam. Het schip was bewapend met een kanon kaliber van 3"/50, een kanon kaliber 4"/40 achter en vier 20 mm machinegeweren. Vertrouwelijke papieren en geregistreerde publicaties werden in opdracht van de kapitein door de marinier overboord gegooid.

4 : Rond 03:58 GCT, beval de kapitein het schip te verlaten. Er werd een poging ondernomen om het noodsignaal van het schip te blazen, maar slechts een deel van het signaal kwam door wegens gebrek aan stroom. Een deel van de bemanning en passagiers verliet het schip, vele anderen bleven aan boord en gingen blijkbaar met het schip mee ten onder. Reddingsboot nr. 7 werd door de explosie buiten gebruik gesteld. Reddingsboot nr. 6 met ongeveer 51 personen aan boord en ongeveer 5 die aan de boot hingen, werd gelokaliseerd en werden door de US C(oast) G(uard) C(utter) ESCANABA aan boord genomen. De reddingsboot nr. 13 werd gevonden en de personen werden door de USCGC COMANCHE aan boord genomen. De overige overlevenden en gekende doden lagen op reddingsvlotten of in het water. Van de 14 reddingsboten aan boord werden alleen de nr 6 en nr 13 met succes gebruikt bij het verlaten van het schip.

Pagina 2

Reddingsboot nr 2 werd met succes neergelaten, maar werd al snel overrompeld door een groot aantal personen die probeerden aan boord te komen van de sloep. Reddingsboot nr. 4 kapseisde bijna meteen bij het neerlaten. Het is niet duidelijk of dit te wijten was aan overmatige drukte of schade aan de boot. De reddingsboot nr. 9 bleef hangen aan een davit (= takel waar reddingsboot aan hangt). Reddingsboot nr. 8 werd waarschijnlijk niet neergelaten (een van de zeelieden zou deze boot hebben laten zakken en vond niemand anders om hem bij te staan, dus sloot hij zich aan bij reddingsboot nr. 6 en hielp bij het neerlaten van de boot). Blijkbaar werden de nrs 2-4-6-11-13 en 14 reddingsboten te water gelaten. Sommige davits waren beschadigd tijdens de explosie. Verschillende reddingsvlotten werden door de bemanning van het schip losgesneden, maar werden aan dek gelaten om vrij te drijven als het schip zonk. Andere reddingsvlotten zouden over de zijkant zijn gedropt (waarschijnlijk door het onervaren personeel), en gewonden die in de boten of in het water lagen. Toen het schip zonk, waren er nog enkele reddingsvlotten aan boord. De USCGC COMANCHE redde 97 personen tussen ongeveer 05:00 en 12:30 GCT, 3 februari 1943. De USCGC ESCANABA redde 132 personen tussen 04:30 en 12:30 GCT februari 3, 1943. Al deze overlevenden en 13 lichamen werden naar Narsarssuak, Groenland, gebracht waar ze om 06:00 GCT, 4 februari 1943, aankwamen.

Blijkbaar was er geen paniek tijdens het verlaten van het schip. Sommige reddingsboten zonken omdat er teveel mensen aan boord waren. Veel passagiers beseften de ernst van de situatie niet. Toen het schip ten onder ging, werden veel mensen gezien die stil aan dek stonden en blijkbaar geen moeite deden om het schip te verlaten. De beste schatting van het aantal personen aan boord is 904; hiervan waren er 130 soldaten van de US Army en 24 Marine Armed Guard. Overlevenden die zich tot op heden melden: 4 Amerikaanse legerofficieren, 131 soldaten US Army, 28 koopvaardij-personeel, 44 aannemersbemanningsleden, 3 Denen op weg naar Groenland, 12 van de US Navy, 7 van US Coast Guard. In het totaal overleefden 229 personen, waarvan er 73 werden opgenomen in het US Army Hospital in Narsarssuak, Groenland. 14 gekende doden, waarvan 13 begraven in Narsarssuak, 1 in Ivigtut. Balans van 661 vermisten en niet gemelde doden.

5 : Sommige overlevenden denken dat ze de onderzeeër aan de oppervlakte gezien hebben nadat ze het schip hadden verlaten, maar dit wordt als twijfelachtig beschouwd. Op basis van de positie van de andere schepen in het konvooi en de gerapporteerde positie van de torpedo inslag wordt aangenomen dat de onderzeeër achter de DORCHESTER lag toen de torpedo werd afgevuurd. De DORCHESTER was het middelste schip in lijn van 3 schepen in het konvooi, alle schepen voeren in lijn en niet in kolonnen.

6 : Het schip ging verder onder "donker schip"-omstandigheden; sommige overlevenden meldden echter dat er soms wat licht te zien was wanneer de deuren werden geopend en gesloten. Na de aanval waren de eencellige zaklampen te zien die de overlevenden bij zich droegen. Er branden geen navigatielichten. De roodgekleurde eencellige zaklampen waarmee het DORCHESTER-personeel was uitgerust, waren zeer waardevol bij het lokaliseren en opnemen van de overlevenden. Het is onbekend of deze lichten van enig nut waren voor de vijand. De SS LUTZ aan stuurboordzijde; SS BISCAYA bakboord (midden, met één punt naar achteren = one point abaft port beam) en de USCGC ESCANABA die aan stuurboord patrouilleert. Nadat de DORCHESTER was geraakt vertraagden of stopten de SS LUTZ en BISCAYA blijkbaar en hervatten vervolgens hun basiskoers zigzaggend, waarbij de USCGC COMANCHE controle hield. Na het afschieten van vuurpijlen begon de ESCANABA met het zoeken en screenen van overlevenden met de USCGC TAMPA en de USCGC COMANCHE. Vlak voor de aanval verklaarde de bewaker van de DORCHESTER dat hij de COMANCHE en TAMPA niet kon waarnemen in het donker. Hoewel geen van de ondervraagde overlevenden ooit op een schip was geweest toen het werd getorpedeerd, meldde een van de overlevenden die in een ander konvooi was geweest waar schepen waren getorpedeerd, dat er in dit geval veel minder lawaai was dan bij die andere schepen. Geen van de escortschepen hoorde de explosie. De tweede officier van de DORCHESTER, die sliep op het moment dat de torpedo insloeg werd wakker door de explosie. Hij verklaarde dat bij het raken van het schip een stuk ijs raakte en geen idee had dat het een torpedo was. Alle geïnterviewde overlevenden verklaarden dat de explosie was gedempt, daar die blijkbaar goed onder water plaats vond; dat er een aanzienlijke schudding was, maar zeer weinig lawaai. Het schip werd door de explosie opgetild en begon vrijwel onmiddellijk aan stuurboordzijde water te maken. Na de explosie waren er sterke ammoniakdampen, langs stuurboordzijde werd wat stookolie gezien. Men gelooft dat de ammoniakdampen afkomstig waren van de koelinstallatie die zich net boven de machinekamer op het hoofddek bevond. Overlevenden spraken over de kalme houding van de aalmoezeniers van het leger die als passagiers aan boord waren en die allemaal werden vermist. Er werd gemeld dat de katholieke aalmoezenier van het leger zijn reddingsvest aan een van de mannen gaf en dat de Joodse rabbijn van het leger een overlevende een paar handschoenen gaf.
H.V. STEBBINS.
Luitenant, US NR(Navy Reserve)

9 maart 1943.
Van Arpaia William H. LT US NR (Navy Reserve) naar de Vice Officer of Naval Operations via Port Director, Third Naval District.
Onderwerp: zinken van U.S.A.T. DORCHESTER.
Algemene instructies voor de bevelhebbers van Naval Armed Guards (bewapende marineschepen) en Merchant ships (koopvaardijschepen) 1942.

1: In overeenstemming met referentie (a) wordt het volgende ingediend:

Ik werd op 21 januari 1943 toegewezen aan de U.S.A.T. DORCHESTER. Ik stapte aan boord van het schip op pier II, Staten Eiland en loste LT. McLeod om 18.00 uur af. Nam de leiding over de mitrailleurbemanning, die bestond uit 18 schutters, 3 seinwachters en 2 radiomensen. Het schip vertrok op 22 januari 1943 in een konvooi van 64 schepen, vrij zwaar begeleid met destroyers en korvetten. De U.S.A.T. DORCHESTER kreeg positie 23 in het konvooi toegewezen. Voor dat we aankwamen in St. Johns, Newfoundland, werd het hoofdgedeelte van het konvooi gesplitst en de kolonnen 1 en 2 vaarden naar St. Johns. We zijn aangekomen in St. Johns op de avond van 27 op 28 januari. We bleven daar een dag en vertrokken de volgende dag 29 januari rond 17.00 uur. De U.S.A.T. DORCHESTER behield positie 21 in een konvooi van 3 schepen, bestaande uit de BISCAYA, positie 31 en de LUTZ, position 11. De DORCHESTER was de Convoy Commodore (leider van de groep). De begeleiders bestonden uit de TAMPA, een zware kustwacht kotter , en de ESCANABA en de COMANCHE. De COMANCHE patrouilleerde ongeveer 2000 meter voor het konvooi aan bakboord (linkerzijde). De ESCANABA patrouilleerde ongeveer 2000 meter voor het konvooi op stuurboord (rechts). De TAMPA handhaafde een continue voorwaartse positie van stuurboord naar bakboord en van bakboord naar stuurboord diagonaal. Deze positie van de drie koopvaardijschepen en van de drie escortschepen werd aan gehouden tot 00:55 3 februari 1943, waarna de U.S.A.T. DORCHESTER werd getorpedeerd.

Tot 2 februari 1943, 15.30 uur, waren er geen incidenten of aanwijzingen dat er vijandelijke onderzeeërs in de omgeving waren. Echter op 2 februari 1943 om om 15.30, knipperde de TAMPA, die de escortecommandant was, met een knipperende boodschap aan de DORCHESTER dat "een vijandelijke onderzeeër in de omgeving wordt gespot". Dit bericht werd onmiddellijk door de DORCHESTER doorgegeven aan de LUTZ en de ESCANABA. Als Armed Guard commander beval ik onmiddellijk de kanonnen te bemannen en werden de gevechtsposten tot 18.30 uur bemand. Alle gereedstaande kisten werden geopend, de kulas op het 3"-50 kanon naar voren werd geopend, de 20 mm kanonnen werden klaar gemaakt en de magazijnspanning werd op 60lb gezet. De hele bemanning werd in directe paraatheid gehouden voor een onmiddellijke en snelle actie. Ik overlegde met kapitein Danielson. Ik stopte al mijn vertrouwelijke publicaties in een geperforeerde doos van plaatstaal, samen met de zijne, die hij in zijn kabinet had. De bemanning kreeg de opdracht om zonder mijn bevel onmiddellijk het vuur te openen met de 20 m.m. mitrailleurs, een spervuur van geweervuur ruim voor het kielzog in het water te leggen, en dat in het geval we door een torpedo werden geraakt en er geen onderzeeër zichtbaar was of geen kielzog werd waargenomen, dat ze dan de 20 m.m. mitrailleurs moesten gebruiken in de richting van waaruit de torpedo kwam.

Ik heb overleg gepleegd met kapitein Krecker die de leiding had over de legertroepen. Hij kreeg te horen dat hij de dienstplichtigen niet moest alarmeren, maar dat zij het advies moesten krijgen om volledig gekleed en met hun reddingsvesten aan naar bed te gaan. Voordat we New York verlieten had ik met kapitein Krecker overlegd over alle details met betrekking tot onze reis en we hadden afgesproken om geen troepen aan dek toe te laten. We hebben ook afgesproken dat het leger een bewakingsreeks van 17 man zou aanhouden, die bestond uit een reeks van bewakingsposten, bestaande uit 17 man. Ik hield continu 4 van mijn mannen op de uitkijk op de voorste sleutelposities en naar achteren bij de telefoons. Na een waarschuwing van de onderzeeër te hebben ontvangen stemde het leger ermee in om hun uitkijkposten te verdubbelen zodat ze vanaf 15.30 uur 34 uitkijkposten continu in gebruik hadden. Deze uitkijkposten waren door mij persoonlijk geïnformeerd in de vorm van een lezing over waar ze op moesten letten en hoe ze zich moesten melden bij de brug. Ook had het leger een black-out detail en ik had een onderofficier van wacht, die ook op de uitkijk stond, en elk half uur de magazijnen controleerde en een continue en strikte black-out detail handhaafde.

Na 18.30 uur hield ik de helft van mijn bemanning constant bij de kanonnen en de andere helft was volledig paraat in hun kwartier, klaar voor onmiddellijke gevechtsacties. Ik gebruikte een 20 m.m. kanon aan bakboordzijde, een aan stuurboordzijde, dat voortdurend in paraatheid was, waarbij de andere twee 20 m.m. kanonnen afwisselend ontgrendeld werden, klaar voor actie; de spanning in het magazijn werd op 60 pond gehandhaafd; mijn bemanning had vanaf 18.30 uur wacht, conditie II-operatie met de instructie om de kanonnen onmiddellijk te leiden in de richting van waaruit men een periscoop, kielzog of onderzeeboot opmerkt of waargenomen heeft, en zelf het vuur te openen voor het geval dat ik op dat moment niet meteen ter plaatse was. Ik bleef voortdurend M 10 knopen per uur aan te houden. De kapitein zei dat als we niet voor 24.00 uur werden getorpedeerd, we niets te vrezen hadden omdat we ons in een ijsberggebied zouden bevinden waar de onderzeeërs niet kunnen opereren. De uitkijkposten hadden zelfs de opdracht gekregen om o.a. op ijsbergen te letten.

Om 24.15 uur ging ik naar mijn hut om uit te rusten nadat ik alle geweren en alle uitkijkposten persoonlijk had gecontroleerd. Om 00.55 uur raakte een torpedo de DORCHESTER voor de boeg aan stuurboordzijde. Blijkbaar lag de torpedo vrij diep onder water, omdat het niet te veel lawaai maakte. Echter, onmiddellijk na het uitvallen van de motoren gingen alle lichten op het schip uit en het stond aan stuurboord onder een hoek van ongeveer 30°. Geen van de uitkijkposten meldde iets anders gezien of gehoord te hebben dan een zwiepend geluid vrijwel onmiddellijk voor de explosie. Onmiddellijk brak er een pandemonium los. De soldaten begonnen reddingsvlotten overboord te gooien en begonnen het schip te verlaten. Zowel de 4" als de 3" kanonnen werden geladen. Een van de schutters op de drie 20 mm kanonnen aan stuurboordzijde van het schip was weggeblazen uit het feit dat het schip onmiddellijk begon te kantelen. Het was onmogelijk om een van de kanonnen te bedienen. De brug kon geen vast rood licht geven omdat de elektriciteit was afgesloten. Er weerklonk 6 keer een mistfluit en bij het uitvallen van de stroom werd opnieuw een serie van 6 fluitsignalen gestart. Er werden geen vuurpijlen afgevuurd. De DORCHESTER werd onmiddellijk verlicht met rode lichten en flitslichten. De rode lichten waren aan veel van de reddingsvesten bevestigd. De zaklampen waren eigendom van en gebruikt door het legerpersoneel en enkele burgers aan boord.

De Master (verantwoordelijke navigatie) was op de vliegbrug toen ik hem voor het laatst zag. Ik vroeg hem of hij zich had ontdaan van de vertrouwelijke publicaties. Hij zei dat hij dat niet had gedaan, en dat ik dat moest doen. Ik ging onmiddellijk in zijn hut en gooide persoonlijk alle vertrouwelijke papieren van stuurboordzijde overboord in de geperforeerde metalen doos. Ik vroeg de kapitein of hij iets zag en hij zei dat hij het niet zag. Hij bleef op de vliegbrug en besefte in feite niet dat het schip zou zinken. Nadat ik er zeker van overtuigd was geraakt dat vuur open nutteloos zou zijn, dat het schip snel aan het zinken was en snel begon over te hellen, gaf ik opdracht aan de bemanning van de kanonnen voor en achter om het schip te verlaten.

Ik verliet het schip vanaf de bakboordzijde achter op de beam (iets voorbij midden van het schip) in een donut vlot (rond vlot). Acht tot tien leden van de kanonbemanning waren bij mij, maar de meesten van hen hebben voor zichzelf gezorgd. McCoy en McMinn, zeelieden van de eerste klas, ontdekten dat enkele soldaten ons vlot hadden meegenomen nadat een donutvlot overboord was gegooid en nadat we waren afgedaald en op het vermelde schip stonden. Zowel McCoy als McMinn stonden er helemaal alleen voor en met het schip dat onder hen wegzakte, klommen ze vrijwillig naar boven om een ander vlot te halen, wat ze ook deden, en dat ze naar beneden gooiden. Ik dook toen in het water, stapte in het vlot en hield het voor hen vast en ze stapten allebei in net als Taylor SL/c. Het leek erop dat McCoy en McMinn een vleugje moed vertoonden en dat verdient zeker enige lof.

Er zaten 921 mensen op het schip, waarvan er 227 gered werden. Het COMMANCHE en de ESCANABA hebben elk meer dan 100 overlevenden opgepikt. De TAMPA ging verder en begeleidde de LUTZ en de BISCAYA naar Groenland. Ik had 23 mannen in mijn geschutsbemanning, waarvan er 14 stierven.

Pagina 7
De enige overlevenden waren als volgt:
Nowinski, Michael J. SM3c N 610 87 22,
Michael J. SM3c N 610 87 22
McCoy, Winfield S2/0 N 612 51 63.
McMinn, William J? S2/c N 652 58 03
McVey, Edward John, S2/c N 611 68 15 15
Strickling, Willie F. S2/c N 616 63 37 37
Tarring, Charles R. S2/c N 614 63 86 86.
Summers, Roy Nicholas S2/c N 668 67 67 67 67
Swanson, Darrell A. S2/c N 300 94 91 91.
Szymczak, Chester J. S2/c N 300 94 91

Ralp L. Taylor, S/c stierf in onze sloep. We hebben er alles aan gedaan om hem in leven te houden. We zaten 6 uur en 15 minuten in het vlot en door het koude water konden we ons praktisch niet bewegen op het moment dat we werden opgehaald. Na ongeveer twee uur in het vlot te hebben gezeten kon McCoy zich na het verscheuren van mijn zak een injectie geven. Hij gaf mij en McMinn een injectie. Ik geloof dat de effecten van de morfine ons in leven hielden en ons in staat stelden te weerstaan aan de grillen van het weer. Op dat moment was Taylor al overleden. Hij verloor zijn bewustzijn voordat hij stierf. We werden opgepikt door de COMMANCHE en opgenomen in Bluie West I, Groenland. We arriveerden daar rond 02.00 uur op 4 februari 1943. Op het moment dat we werden getorpedeerd waren we 140 mijl van onze eindbestemming Bluie West I, Groenland en ongeveer 80 mijl van de monding van het Fjord. Ik heb geen directe informatie over wat voor percentage van de koopvaardijbemanning gered zijn. Ik geloof dat er meer dan 500 soldaten aan boord waren, evenals enkele van de marine- en kustwacht. Er waren ongeveer 150 burgers aan boord. Ik heb begrepen dat ongeveer 42 van de burgers gered zijn.

Nadat we geraakt werden zijn de LUTZ en de BISCAYA met elkaar in botsing gekomen. Ik heb begrepen dat de LUTZ van plan was om terug te keren naar de plaats van de ramp om overlevenden op te pikken. Daarbij botste hij met de BISCAYA en werd hij aan stuurboordzijde aanzienlijk beschadigd. Ik ken de omvang van de eventuele schade aan de BISCAYA niet. Zowel de ESCANABA als de COMMANCHE staken vuurpijlen af, ongeveer 45 minuten nadat we getorpedeerd werden. Alle overlevenden werden aan land gebracht bij Bluie West I en werden naar het ziekenhuis gebracht voor medische zorg in het plaatselijke legerhospitaal. De Master, kapitein Danielson was zeer behulpzaam en bereid om alle suggesties en aanbevelingen met betrekking tot de konvooiprocedure op te volgen. Ik kan heel eerlijk zeggen dat de medewerking van alle koopvaardijofficieren goed is ontvangen, ook het leger heeft me hun volledige medewerking verleend.

Pagina 8

Niemand heeft de onderzeeër gezien. Mijn beste oordeel, vertrouwend op mijn gehoor, zou zijn dat de torpedo vanuit een voorwaartse positie kwam, voor de straal aan stuurboordzijde, naar boven en naar achteren ging. Hij kwam niet door de bakboordzijde. Het raakte blijkbaar het koelsysteem, omdat er een sterke ammoniakgeur was die door het hele schip drong. Ik kan niet met enige zekerheid zeggen of de torpedo van welk een type of soort was dat gas bevatte.

Mijn geschutsbemanning handelde met de grootst mogelijke efficiëntie en gaf me hun volledige en absolute medewerking en stonden voor honderd procent achter mij. Ze zouden met het schip zijn onder gegaan als ik hun niet de opdracht had gegeven om het schip te verlaten. Ik ben er zeker van dat ze allemaal het schip niet konden verlaten om bij een vlot of reddingsboot te komen. Een aantal van de reddingsboten kon niet worden neergelaten, omdat ze door de explosie verbrijzeld waren geraakt. Sommigen van hen die neergelaten werden, maakten onmiddellijk water. Die middag hield de kapitein een algemene evacuatie om het schip te verlaten. De dag voor het torpederen had ik schietoefeningen gehouden en had ik 5 kogels met het 3" kanon voorwaarts en een heel magazijn in elk van de vier 20 mm kanonnen gebruikt. Het 4" - 50" kanon achter was in perfect werkende staat. De kanonnen werden goed onderhouden en in de beste conditie gehouden.

We kregen geen opdracht van de escortecommandant om zigzagoperaties op te zetten op het moment dat ons werd geadviseerd dat er een vijandelijke onderzeeër in de buurt was. Als we zulke bevelen hadden gekregen, zou de kapitein ze zeker hebben opgevolgd, want, zoals eerder vermeld, was hij zeer behulpzaam.

De ESCANABA, die zich aan stuurboordzijde en voor het konvooi bevond, was niet uitgerust met radar. We kregen geen luchtdekking, wat we verwachtten, toen we te horen kregen dat er een vijandelijke onderzeeër in de buurt was. En dat een pak van hen, bestaande uit eenentwintig, ergens in de buurt was. Verder werd mij ook mede gedeeld dat het Army Air Corps een onderzeeër tot zinken bracht die aan de oppervlakte was en die de rest van het konvooi naar Groenland volgde. Verder kreeg ik te verstaan dat een van de escortschepen een stip op zijn radar kreeg, die een voorwerp aan de oppervlakte aanduidde dat aan de achterkant van het konvooi naar achteren ging. De LUTZ, die aan onze bakboordzijde stond, was een kolenbrander en het schip rookte dag en nacht onafgebroken vanaf het moment dat we St. Johns verlieten. Het liet een doorlopende zwarte streep van rook achter die zelfs in het zwart van de nacht zichtbaar was. Op het moment dat we getorpedeerd werden, was het water relatief rustig, maar er waren geen sterren en geen maanlicht. Het was erg donker.

Ik kan vermelden dat de vaste rode lichten op de reddingsvesten zeer nuttig bleken te zijn voor het redden van levens. Ik heb

pagina 9

vast gesteld en uit mijn eigen persoonlijke ervaring blijkt dat degenen die de meeste kleren aan hadden, beter bestand waren tegen de shocks van de blootstelling van koude en water, ook al werd hun kleding nat. Alle overlevenden die hun schoenen aanhielden, ook al waren de voeten in water, hadden minder last van de blootstelling dan degenen die geen schoenen aan hadden.

De boxvlotten bleken het meest effectief te zijn - zelfs beter dan de reddingsboten. De twee aan bakboordzijde glijden er echter niet af toen ze werden losgelaten vanwege het feit dat het schip aan stuurboordzijde had gelegen. William H. Arpaia.