HET MUNKENGOED 1274

HET MUNKENGOED

I. ONTSTAAN

Thor en Wodan zwaaiden machtig lang hun scepter over het heidens Vlaanderen. Eindelijk mocht er de vreevane van de Heiland wapperen . Gelijk het overal elders ging, werden de steden hier ook eerst bekeerd, terwijl de land- en bosbewoners het langer uithielden in de strijd tussen waarheid en wangeloof. Denk nochtans niet dat de missionarissen die ons land bekeerden, zich tevreden hielden, buiten de allereersten misschien, te prediken waar het paste.... Neen ! Zij verstonden, gelijk de missionarissen het ni nog verstaan, dat het volk stil-lekens aan moet gewonnen worden, dat ze temidden de stammen moesten wonen, hun oude gebruiken eerbiedigen en christelijker wijze herscheppen en benuttigen, en het volk, voorzichtig, maar aanhoudend voort, met honderden middelen moesten beschaven.

Daarom was het dat zij een vaste standplaats in Vlaanderen zochten te krijgen, hier of daar een klooster of een abdij bouwden, het land beploegden, de bossen tot vruchtbare akkers herschiepen, en in alle omstandigheden steun en hulp boden aan de ongelukkige lieden die in onze streken woon-den.

Dat deden de missionarissen in Vlaanderen door het stichten van abdijen, zoals deze van DUINEN, van Ingelmunster e.a.. Dat doen ze hedendaags nog in Afrika, door het inrichten van vaste stand-plaatsen die, in die woeste streken, als middelpunt van beschaving moesten dienen. Ook zou niemand durven ontkennen dat de abdijen, in het middeleeuwse tijdvak, zowel op het geestelijk alsof het stoffelijk gebied, een voorname rol gespeeld hebben. Vooral in Vlaanderen bracht de oprichting van deze gestichten de ontwikkeling der beschaving te wege. De ruwe zeden der bewo-ners werden alzo stillekens aan verzacht, bossen werden uitgeroeid, en men zag welhaast de moe- herscheppen.

Ook wisten de Graven van Vlaanderen de beschermende invloed der abdijen naar waarde te schatten. Talrijke en voorname voorrechten werden hen geschonken, milde giften gejond, uitgestrekte gronden tot beploeging aangeboden. Ja, zo ver ging het, dat sommige kloosters de toelating verkregen van jaarlijks zoveel grond in te lijven, als zij aan de heide konden onttrekken. Was de eerbied voor de godsdienst en de genegenheid voor de monniken de drijfveer van hun gedrag, toch zou men wel mogen aannemen dat de staatkundige inrichting er niet geheel vreemd aan was. Misschien dat zij zo hun tijdelijke belangen niet te kort deden, daar zo ook hun schrale onbeploegde vlakte tot een winstgevende akker zagen herscheppen. Edele of andere godsdienstige personen volgden dit voorbeeld, men was immers in een tijdstip van vast geloof en van eerbied voor de kerk. De kruisvaarten hadden de christen zielen ontroerd en menige aalmoes, menige milde gift werd geschonken om de zegen van de Heer op deze verre ondernemingen af te smeken.

Zo bekwamen de abdijen beurtelings vaste en uitgestrekte eigendommen, de ene in de nabijheid der opkomende kloosters, andere in verre en afgelegen streken, en die, ingezien de moeilijkheden der gemeenschappelijke betrekkingen bijna ontoegankelijke waren. Intussen groeiden de kloosters gedurig aan. Geen vak van de samenleving of het had er een vertegenwoordiger: letteren, wetenschappen, schone kunsten werden er met goed gevolg beoefend. Doorbladert de rijke charterboeken, aanschouwt die wondermooie schilderijen, bewondert de prachtige gebouwen, zelfs hun overblijfsels, en men zal moeten bekennen dat. die monniken op het kunstgebied zo ervaren waren als in hun landbouwkundige werken.

Om de zware onkosten van de opbouw van kerk en klooster te kunnen dekken, om in de aalmoezen die de abdijen aan reizigers en behoeftigen gaven te voorzien, scheen het natuurlijk en onmisbaar van nut te trekken uit hun verafgelegen gronden, en ze zo tot onderhoud en onderstand van de abdij te doen dienen. De beploeging van die gronden werd zo door de noodzakelijkheid aangewezen, maar door de monniken tevens als een beschavingsmiddel aangenomen. Zo werden in sommige streken nieuwe kloosters of proosdijen opgebouwd, soms ook vergenoegde zich de abdij met er een grote boerderij in te richten, die onder ervaren beleid van enige kloosterbroeders voor modelhoeve van die tijd door mocht gaan. Alzo kwam tot stand het MUNKEGOED, of zoals men in de omgeving zegt de MUNKEN en de MUNKEBOSSEN.

II. LANDGOED DER MUNKEN VAN DEN DUINEN ( Lanscote)

Ten noordwesten van Wingene, aan de palen van Ruddervoorde, verhief zich in de jaren 1200 een "manoir" (1) of heerlijk verblijf, landgoed toebehorende aan de edele vrouwe Maria, erfgename van Lanscote, die in de echt getreden was met jonker Jan van Hertsberge en bij wie zij verschillende kinderen had.

Godvruchtig en menslievend, en wetende dat haar kinderen niet alleen van haar andere goederen, maar ook van hun vader meer dan genoeg zouden erven,schonk zij op 4 juni 1274 (2) bij testament en tot lavenis van haar ziel thaar eigendommen gelegen op de parochies Wingene en Ruddervoorde en bestaande uit 41 bunders woestijneland, met het "mansum" of landgoed , de reeds beploegde landen en de hofhuizen, aan de munken of monniken van de abdij van O.L.Vrouw ter Duinen, met de last dat zij ten eeuwigen dage, vier arme manspersonen, bijzonderliik arme reizigers, die er de herbergzaamheid;

Deze gift werd volgens de gebruiken en bestaande wetten overgeleverd in handen van broeder Hendrik Van Vlisseghem, monnik van de abdij Ter Duinen, handelende in naam van abt Thomas van Gent. Deze vergunningsbrief werd geschreven in tegenwoordigheid van Jan van Hertsberge, Margriete zijn tweede vrouw, Gillis van Hertsberge en Wouter, gezeid Rueloke, voogden der kinderen van zijn eerste vrouw en Jan. Deze charter, geschreven op perkament en nog van zijn vier zegels voorzien berust in de archieven der Abdij Ter Duinen, nu het Groot Seminarie te Brugge. (4)

Nauwelijks was deze zaak afgedaan of Jan van Hertsberge besloot het voorbeeld te volgen van zijn eerste vrouw.

In augustus 1274 kochten Jan van Hertsberge en zijn tweede vrouw Margriete, aan Sibelia, weduwe van ridder Rodolf van Wingene(5) en nu echtgenote van Allaert Van Walle (6) nog 45 1/2 bunders land, ook gelegen op de parochies Wingene en Ruddervoorde.

Deze eigendommen maakten deel uit van een woestenij genoemd Deuret, tussen Lo (7) en Rijsberghe (8)

Hij schonk die gronden in zuivere aalmoes aan het klooster van de duinen en verzocht gravin Margareta van Vlaanderen haar goedkeuring te willen verlenen. Dit gebeurde onder voorwaarde dat voor elke bunder woestijne of land, de abdij zou geven, jaarlijks en eeuwig, aan de Graaf van Vlaanderen, zes deniers vl. munte, volgens de brieve van Woestine tr (9).

Deze tweede gift verdubbelde het goed van de monniken van Duinen op Wingene en Ruddervoorde.

Intussen was de toestand der abdij van de Duinen telken jaar meer en meer bloeiend geworden. Niet alleen werden milde giften haar nu en dan ter hand gesteld, maar zelfs werden aanpalende gronden voor eigen rekening aangekocht. Dit gebeurde o.m. in mei 1295, toen de abdij nog twee bunders en zes D. Gift van Oddot Machet 1360.

Op 3 december 1360 schonk Oddot Latchet, watergraaf van Vlaanderen, namens Lodewijk van Male, aan de kerk van de Duinen, 83 bunders woestijne, gelegen in Ruddervoorde, dicht bij het landgoed Lanschote, dat aan de abdij reeds toebehoorde (II) Hier werd nog eens een voorwaarde gesteld:(I2) dat men voor ieder bunder land, jaarlijks 12 deniers zou betalen en bij de aankomst van een nieuwe abt, eens het dubbel en vier deniers aan de schrijver "clerc" voor het overschrijven van de naam van een nieuwe abt. Deze charter werd getekend te Oost Eeklo. E. Gift Jan de Jaghere 1373.

In 1373 schonk Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, door tussenkomst van zijn watergraaf Jan de Jaghere, 33 bunder en twee lijnen en half woestijne, waarvan twaalf bunder liggende op Ruddervoorde, tussen de eigendommen van Martin van Heesine en de Bruggeweg, en twaalf bunder op dezelfde parochie tussen de "de meulen van den Duinen en Cromschoot “. De overige negen bunder lagen op Wingene tussen de Torhoutse weg en het gehucht Jansvelde, met last jaarlijks te betalen op St Remigiusdag (I3) "voor ieder bynder drie schelen en vier deniers ...".

Later werd het Landgoed der Munken door andere aankopen of giften nog vergroot. Men kan zich allicht inbeelden welke uitgestrekte eigendommen de monniken bezaten op Wingene en Rudder-voorde en welke langdurige en hardnekkige pogingen er moesten gedaan worden om die onover-zienbare heide tot een vruchtbaar oord te herscheppen. Dit kon slechts na jaren gebeuren.

In de archieven van de Duinen vindt een aantal charters, maar ook de handboeken van de broeders die beurtelings op de boerderij verbleven, alsook enkele schone kaarten van deze uitgestrekte eigendom, die bijna 533 gemete besloeg.

PAG. 2

TOP

-