Jan Lantsocht
Baljuw van Nieuwenhove — verklaring onder ede over de verwoesting van Oostkamp, 8 augustus 1589.
Op 8 augustus 1589 legden verschillende mannen onder ede een verklaring af over de toestand van Oostkamp, het Vrije van Brugge en de inkomsten verbonden aan het recht op de gruut of bieraccijns.
Onder hen bevond zich Jan Lantsocht, baljuw van Nieuwenhove, ongeveer 43 jaar oud. Zijn vermelding is bijzonder waardevol omdat hij niet alleen met naam wordt genoemd, maar ook met functie, leeftijd en rechtsgebied.
De getuigen
De verklaring werd afgelegd door mannen die door hun functie, leeftijd of plaatselijke kennis als betrouwbare getuigen konden optreden. Zij kenden de inkomsten, de toestand van de goederen en de schade in de streek.
| Naam | Functie of omschrijving | Leeftijd |
|---|---|---|
| Wouter Van Nieumunster | Baljuw van den Houtschen | 60 jaar |
| Steven De Cuenynck | Crickhouder van Oostkamp | 72 jaar |
| Gheeraert Govaert | Pachter van het goed van mijnheer van Gruuthuuse | 55 jaar |
| Wouter De Clercq | Collecteur van het recht van de gruut, toebehorend aan de heer van Gruuthuuse binnen Brugge | 58 jaar |
| Jan Lantsocht | Baljuw van Nieuwenhove | 43 jaar |
Hertaling van de verklaring
Wouter Van Nieumunster, baljuw van den Houtschen, 60 jaar oud, Steven De Cuenynck, crickhouder van Oostkamp, 72 jaar oud, Gheeraert Govaert, pachter van het goed van mijnheer van Gruuthuuse, 55 jaar oud, Wouter De Clercq, 58 jaar oud, collecteur van het recht van de gruut dat toebehoorde aan de heer van Gruuthuuse binnen Brugge, en Jan Lantsocht, baljuw van Nieuwenhove, 43 jaar oud, verklaarden onder ede wat volgt.
Zij verklaarden dat het recht op de accijns van één groot per ton bier, binnen Brugge en het Vrije, met inbegrip van de bijbehorende heerlijkheden en kleine ingesloten steden, vóór de verwoestingen in het land jaarlijks ongeveer 600 pond groten opbracht.
Sinds de bezetting in 1583 waren het Vrije, de bijbehorende heerlijkheden en de kleine steden grotendeels verlaten en verwoest. Alleen de steden Damme en Sluis vormden daarop een uitzondering.
Verder verklaarden zij dat alle pachtgoederen in Oostkamp en de goederen van de heer van Gruuthuuse volledig waren verwoest. Het ging om zeven hoeves. Drie daarvan waren afgebrand en ingestort; de overige waren in stukken gevallen of afgebroken.
De getuigen voegden daaraan toe dat deze hoeves door soldaten in brand waren gestoken. Zij lagen nu verlaten en onbewoond.
De verklaring schetst een uitzonderlijk zwaar beeld van Oostkamp na de oorlogsperiode: hoeven lagen verlaten, molens waren vernietigd, bossen werden gerooid of gestolen en de bevolking was deels gevlucht.
Molens, dreven en bossen
Ook drie windmolens die aan de heer van Gruuthuuse toebehoorden, waren verwoest. Eén daarvan was tot het voorgaande jaar overeind gebleven, maar werd toen alsnog door soldaten van het koninklijk leger afgebrand.
Daarnaast waren bomen, dreven en bossen in 1581 door de strijdende partijen vernield. Daardoor waren de inwoners aan de zuidzijde van de Leie gevlucht voor de Waalse soldaten.
Het volledige grondgebied van de heerlijkheid Oostkamp lag volgens de verklaring nog steeds verlaten en braak. De heer van Gruuthuuse had er geen inkomsten meer uit, behalve uit de verkoop van enige bossen.
Zelfs die bossen brachten weinig zekerheid, want veel hout werd gestolen door de plaatselijke bevolking, door arme inwoners van Brugge en door arbeiders van het koninklijk leger.
Goedkeuring door Oostkamp
De verklaring werd goedgekeurd door de burgemeester en schepenen van de heerlijkheid Oostkamp. Dat geeft aan dat het niet om een losse mededeling ging, maar om een officieel bevestigde verklaring die in een wettelijke context werd gebruikt.
Wat was het recht van de gruut?
Het recht van de gruut was oorspronkelijk verbonden met het gebruik van gruut bij het brouwen van bier. In de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd ontwikkelde dit recht zich vaak tot een vorm van heffing of accijns op bier.
In deze verklaring gaat het concreet om een heffing van één groot per ton bier. De getuigen verklaren dat dit recht vóór de oorlogsschade jaarlijks ongeveer 600 pond groten opbracht. Dat bedrag toont hoe belangrijk deze inkomstenbron voor de heer van Gruuthuuse was.
Historische context
De verklaring past in de onrustige jaren van de Tachtigjarige Oorlog. De streek rond Brugge en het Vrije werd in de jaren 1580 zwaar getroffen door bezetting, plundering, brandstichting en militaire verplaatsingen.
De vermelding van 1581 en 1583 sluit aan bij die periode van verwoesting. De tekst maakt duidelijk dat het niet alleen om militaire schade ging, maar ook om een langdurige economische ontwrichting: pachthoeven werden verlaten, molens verdwenen, bossen werden geplunderd en inkomsten droogden op.
Genealogische betekenis
Voor de familiegeschiedenis is vooral de vermelding van Jan Lantsocht belangrijk. Hij wordt in 1589 genoemd als baljuw van Nieuwenhove en is dan ongeveer 43 jaar oud. Dat plaatst zijn geboorte omstreeks 1545 of 1546, als de opgegeven leeftijd betrouwbaar is.
De functie van baljuw wijst op een man met juridisch-bestuurlijke verantwoordelijkheid. Hij trad niet op als gewone particulier, maar als ambtsdrager binnen een heerlijkheid of feodale rechtsbank.
Cyrograph van Jean Landtsocht
In een verwante vermelding verschijnt dezelfde naamvorm ook als Jean Landtsocht. Hij wordt daar genoemd als baljuw van de feodale rechtbank van Nieuwenhove, behorend aan heer Anselme Opitius Adourne, heer van Nieuwenhove, Nieuvliet, Marcquillies, enzovoort, en afhankelijk van het Bourg van Brugge.
In dit cyrograph erkent Jean Landtsocht dat hij van Jean Stochove, handelend in de eerder vermelde hoedanigheid, het verslag en de opgave heeft ontvangen van een leengoed van 3 morgen en 30 vierkante roeden, gelegen te Lissewege. Dit leengoed viel onder de genoemde rechtbank.
Een cyrograph of chirograaf was een akte waarvan meerdere exemplaren op één blad werden geschreven en daarna volgens een herkenbare snijlijn van elkaar werden gescheiden. Daardoor konden de partijen later aantonen dat de stukken bij elkaar hoorden.
Waarom beide vermeldingen samen belangrijk zijn
De verklaring van 1589 en de vermelding in het cyrograph versterken elkaar. In beide gevallen verschijnt Jan of Jean Landtsocht als baljuw van Nieuwenhove. Daardoor gaat het zeer vermoedelijk om dezelfde persoon of minstens om dezelfde ambtelijke context.
De ene tekst situeert hem in een verklaring over de verwoesting van Oostkamp en de inkomsten van Gruuthuuse. De andere tekst toont hem in zijn rol binnen de feodale rechtbank van Nieuwenhove, bij de registratie of ontvangst van gegevens over een leengoed te Lissewege.
Voorlopige conclusie
De akte van 8 augustus 1589 toont een uitzonderlijk scherp beeld van de ontwrichting in Oostkamp na de oorlogsvernielingen van de jaren 1580. De verklaring beschrijft hoe inkomsten uit de bieraccijns terugvielen, hoe hoeven en molens werden vernield en hoe bossen en dreven door soldaten en inwoners werden geplunderd.
Binnen dit geheel treedt Jan Lantsocht op als een officiële getuige: baljuw van Nieuwenhove, ongeveer 43 jaar oud. Zijn naam wordt verbonden met bestuur, rechtspraak en feodale administratie. Voor de geschiedenis van de naam Lantsocht, Landsoght en Van Landschoot is dit een bijzonder waardevolle zestiende-eeuwse vermelding.
Bron
Bron: Wettelijke passeringen Oostkamp, register 13, vanaf 1584 tot 1590, folio 161 verso.
Datum: 8 augustus 1589.
Onderwerp: verklaring onder ede over het recht van één groot per ton bier, de inkomsten van de heer van Gruuthuuse en de verwoesting van Oostkamp na de bezetting en oorlogsschade.
Vermelde naam: Jan Lantsocht, baljuw van Nieuwenhove, ongeveer 43 jaar oud.
Aanvullende vermelding: cyrograph van Jean Landtsocht, baljuw van de feodale rechtbank van Nieuwenhove, betreffende een leengoed van 3 morgen en 30 vierkante roeden te Lissewege.
English
Español
Français