Jacob van Lantschoot
Transport van een jaarlijkse rente van twintig schellingen groot, bezet op een behuisde hofstede met land te Sint-Kruis, overgedragen aan Symon Spruute, poorter van Brugge — 24 maart 1584.
Dossier
In deze akte dragen Jacob van Lantschoot en zijn vrouw Lijsbette, dochter van Jan van Pachtenbeke, een jaarlijkse rente over aan Symon Spruute, poorter van Brugge. Het gaat om een klassieke renteconstructie uit de zestiende eeuw, waarbij een jaarlijkse uitkering juridisch rust op een onroerend goed en dus op land en hofstede verhaald kan worden.
Belangrijk punt
Deze akte betreft niet de rechtstreekse verkoop van het land zelf, maar de overdracht van het recht op een jaarlijkse rente van twintig schellingen groot, bezet op de helft van een behuisde hofstede met ongeveer zes gemeten land in de parochie van Sint-Kruis.
Op vierentwintig maart vijftienhonderd vierentachtig verschenen voor de bevoegde overheid Jacob van Lantschoot en zijn echtgenote Lijsbette, dochter van Jan van Pachtenbeke. Zij verklaarden dat zij wettig en erfelijk gerechtigd waren in een rente die zij eerder door koop hadden verkregen van Jacob, zoon van Michiel Bouden Clais.
Hoewel zij bij het passeren van deze akte geen bijkomend bewijs hoefden voor te leggen, aangezien de koper zich voldoende geïnformeerd en tevreden verklaarde, gingen zij toch formeel over tot cessie en transport. De overdracht gebeurde ten voordele van Symon Spruute, poorter van de stad Brugge, die persoonlijk aanwezig was en de overdracht aanvaardde.
De rente waar het om gaat, bedroeg twintig schellingen groot per jaar, betaalbaar telkens op eenentwintig oktober. De tekst zegt uitdrukkelijk dat deze rente losselijk was en stond aan de penning zestien. Zij was bezet op de gerechtigde helft van een behuisde hofstede met het land dat erbij hoorde, groot ongeveer zes gemeten, gelegen in de heerlijkheid en parochie van Sint-Kruis, ten oosten van de kerk.
Met deze akte droegen Jacob van Lantschoot en zijn vrouw niet alleen de rente zelf over, maar ook alle rechten, aanspraken en rechtsmiddelen die zij daaraan verbonden hadden. Met andere woorden: de koper verkreeg niet alleen het jaarlijkse inkomen, maar ook het volle recht om deze rente juridisch op te eisen wanneer betaling zou uitblijven.
Vervolgens verbinden de verkopers zich ertoe deze rente te wetten en garanderen tegenover iedereen die daarop een beter of ouder recht zou willen laten gelden. Dat is een sterke waarborgclausule: zij staan in voor de rechtsgeldigheid van wat zij verkopen.
Penning 16 uitgelegd
De uitdrukking penning 16 betekent dat het kapitaal gelijkstaat aan zestien maal de jaarlijkse rente. Bij een rente van twintig schellingen groot per jaar komt dat dus neer op een aflossings- of koopsom van zestien maal twintig schellingen. In moderne termen komt dit overeen met een rendement van ongeveer 6,25% per jaar.
Wanneer een rente losselijk was, betekende dit dat de schuldenaar die rente kon aflossen door het overeenkomende kapitaal terug te betalen. Het was dus geen eeuwigdurende last zonder uitweg, maar een bezwaarde rente die men kon “lossen”.
De akte voorziet ook in het geval dat de eigenaars van het bezwaarde land de rente zouden weigeren te betalen. Als de betaling uitbleef en de koper zijn recht niet kon doen gelden, onder meer door gebrek aan voldoende bewijsvoering in rechte, dan beloofden Jacob van Lantschoot en Lijsbette de ontvangen koopsom volledig terug te betalen, samen met verlopen rente en alle kosten die daaruit zouden voortkomen.
Verder werd bepaald dat, indien de koper of zijn nakomelingen wegens achterstallige betaling het betrokken land zouden moeten laten uitwinnen volgens de gewoonte van de heerlijkheid, erkend moest worden dat dit land onderworpen was aan de lasten en rechtsgebruiken van die heerlijkheid. De lokale overheid kon in dat geval het goed in pand nemen en zelfs verpachten ten voordele van de heerlijkheid, totdat de zaak volledig was geregeld.
Deze tekst toont hoe sterk financiële transacties in de zestiende eeuw verweven waren met de rechtsorde van de heerlijkheid. Een rente was niet zomaar een particuliere afspraak, maar een juridisch stevig verankerd recht, verbonden met grondbezit, plaatselijk gewoonterecht en openbare afdwingbaarheid.
Historische duiding
Voor de familiegeschiedenis is deze akte vooral belangrijk omdat zij Jacob van Lantschoot toont als iemand die actief participeert in het economische en juridische verkeer van zijn tijd. Hij treedt hier niet op als eenvoudige landgebruiker, maar als houder en verkoper van een rente, dus als partij in een vorm van kapitaalbeheer.
Ook de aanwezigheid van Symon Spruute, poorter van Brugge, is betekenisvol. Dat wijst op een duidelijke band tussen het omliggende platteland en de stedelijke markt van Brugge. Renten vormden in die tijd een courant middel om vermogen te beleggen, inkomsten veilig te stellen en juridische zekerheid op onroerende goederen te verankeren.
De passage over beslag, verpachting en heerlijk gezag laat bovendien mooi zien hoe een lokale heerlijkheid niet alleen bestuurlijk, maar ook financieel en gerechtelijk een actieve rol speelde. Een akte als deze is dus tegelijk een bron voor familiegeschiedenis, vermogensgeschiedenis en lokaal recht.
Scan
Bron: RAB, INV 129/8 heerlijkheid Sijsele nr. 157, wettelijke passering van 24.3.1584.
English
Español
Français