Gooris en Adriaen Lantsocht
Erfelijke losrente op goederen genaamd de Fonteyne en Scheeweghe — Tielt, 20 mei 1655.
Deze akte uit het rechterlijk register van de amanie van Tielt toont Gooris Lantsocht en Adriaen Lantsocht, landbouwers in de parochie Oostkamp, als gezamenlijke schuldenaars van een erfelijke losrente aan Pieter de Vriese, zoon van Jacob, wonende te Wingene.
De akte is vooral waardevol omdat zij niet alleen Gooris en Adriaen samen noemt, maar ook verwijst naar de kinderen van Gooris Lantsocht als eigenaars van het overige derde deel van een partij land genaamd de Fonteyne.
Hertaling van de akte
Voor Frans Coolens, Andries van Acker en Michiel de Gruyttere, amman en ’s graven schepenen van de amanie van Tielt, verschenen in persoon Gooris Lantsocht en Adriaen Lantsocht, landbouwers in de parochie Oostkamp.
Zij verklaarden, ieder voor de ander en één voor allen, dat zij wettig en deugdelijk schuldig waren aan Pieter de Vriese fs Jacobs te Wingene: een erfelijke losrente van 2 pond groten per jaar, losbaar tegen de penning 16.
Zij erkenden dat het kapitaal van deze rente hun ten goede was gekomen voor de aankoop van een zeker deel van een behuisde hofstede. Het kapitaal bedroeg 32 pond groten. Met deze akte verleenden zij daarvoor kwijting.
De rente moest jaarlijks in één betaling worden voldaan, telkens op de eerste dag van mei. De eerste betaling zou vervallen op 1 mei 1656, en daarna van jaar tot jaar, zolang de rente niet werd gelost.
Gooris en Adriaen, hun erfgenamen en nakomelingen, mochten de rente te allen tijde lossen wanneer zij dat wensten, mits betaling van het kapitaal van 32 pond groten, samen met de lopende rente naar verhouding van de tijd, in goed en gangbaar geld.
De goederen die als zekerheid werden verbonden
Om de rente behoorlijk te verzekeren, verbonden Gooris en Adriaen zich persoonlijk en stelden zij twee onroerende goederen als onderpand.
| Goed | Omschrijving | Grenzen en bijzonderheden |
|---|---|---|
| De Fonteyne | Twee derde delen van een partij land, in haar geheel groot 1 gemet, 1 lijn en 21 roeden. Het andere derde deel behoort aan de kinderen van Gooris Lantsocht. |
Oost: Christiaen de Blaere en de wezen van Guillaume van de Walle. Zuid: Pieter Verleije. West: het kerkeland van Wingene. Noord: de heer baron met zijn vijverkens. |
| Hofstede te Scheeweghe | Twee derde delen van de helft van hun hofstede te Scheeweghe. De hofstede is in haar geheel groot vier lijnen. |
Oost: Pieter Temmerman en Jacob de Suyck. Zuid en west: de straat. Noord: Jacob de Suyck. |
De formulering bij de hofstede te Scheeweghe is juridisch ingewikkeld: zij verbinden niet de hele hofstede, maar twee derde delen van de helft. Rekenmatig komt dat overeen met één derde van het geheel, maar de akte volgt de bestaande eigendomsverdeling.
Rente en kapitaal
De akte vermeldt een duidelijke verhouding tussen kapitaal en jaarlijkse rente. De rente wordt genoemd als losbaar tegen de penning 16. Dat betekent dat de jaarlijkse rente één zestiende van het kapitaal bedraagt.
| Onderdeel | Bedrag | Betekenis |
|---|---|---|
| Kapitaal | 32 pond groten | Bedrag dat Gooris en Adriaen ontvingen of dat voor hen gevalideerd werd. |
| Jaarlijkse rente | 2 pond groten | Jaarlijks te betalen aan Pieter de Vriese fs Jacobs. |
| Losvoet | penning 16 | Rentevoet van 1/16 van het kapitaal, dus ongeveer 6,25% per jaar. |
| Eerste vervaldag | 1 mei 1656 | Daarna jaarlijks op 1 mei te betalen. |
Wat betekent “elck voor andere ende een voor al”?
De akte zegt dat Gooris en Adriaen zich verbonden “elck voor andere ende een voor al”. Dat betekent dat zij hoofdelijk aansprakelijk waren.
Pieter de Vriese hoefde bij wanbetaling dus niet elk van hen afzonderlijk voor zijn deel aan te spreken. Hij kon de hele schuld of rente verhalen op één van beiden, die dan eventueel later zelf met de andere moest verrekenen.
Wat betekent “erfelijke losrente”?
Een erfelijke losrente was een jaarlijkse rente die op onroerend goed werd gevestigd en die erfelijk bleef doorlopen zolang zij niet werd afgekocht. De schuldenaars konden de rente lossen door het oorspronkelijke kapitaal terug te betalen.
In deze akte bedroeg het kapitaal 32 pond groten. Zolang dit bedrag niet werd terugbetaald, moest jaarlijks 2 pond groten worden betaald aan Pieter de Vriese of zijn rechtsopvolgers.
Wat betekent “parate executie”?
De akte gaf Pieter de Vriese het recht om bij wanbetaling onmiddellijk verhaal te nemen op de verbonden goederen, maar ook op de personen, erfgenamen, nakomelingen en andere goederen van Gooris en Adriaen.
Dit gebeurde bij parate executie. Dat betekent dat de akte zelf uitvoerbare kracht had. Bij niet-betaling moest Pieter de Vriese niet opnieuw een lang proces voeren om zijn recht te bewijzen.
Genealogische betekenis
Voor de familiegeschiedenis is deze akte belangrijk omdat zij Gooris Lantsocht en Adriaen Lantsocht samen noemt als landbouwers in Oostkamp. Zij treden gezamenlijk op en verbinden goederen die blijkbaar in een gedeelde eigendomsstructuur zaten.
De vermelding dat het overige derde deel van de Fonteyne toebehoorde aan de kinderen van Gooris Lantsocht is bijzonder waardevol. Zij toont dat Gooris in 1655 kinderen had die reeds als afzonderlijke rechthebbenden optraden of erkend werden in het bezit.
| Persoon | Rol in de akte | Belang voor de familiegeschiedenis |
|---|---|---|
| Gooris Lantsocht | Landbouwer in Oostkamp; schuldenaar | Heeft kinderen die reeds een aandeel bezitten in de Fonteyne. |
| Adriaen Lantsocht | Landbouwer in Oostkamp; mede-schuldenaar | Treedt samen met Gooris op; vermoedelijk nauwe familieband of mede-eigendom. |
| Pieter de Vriese fs Jacobs | Schuldeiser te Wingene | Ontvangt jaarlijks twee pond groten rente. |
| Kinderen van Gooris Lantsocht | Eigenaars van het andere derde deel van de Fonteyne | Belangrijke aanwijzing voor een volgende generatie Lantsocht. |
Voorlopige conclusie
De akte van 20 mei 1655 toont hoe Gooris en Adriaen Lantsocht, landbouwers te Oostkamp, samen een jaarlijkse rente van 2 pond groten erkennen aan Pieter de Vriese fs Jacobs te Wingene. Het kapitaal van 32 pond groten was verbonden met de aankoop van een deel van een behuisde hofstede.
Als zekerheid werden delen van de Fonteyne en van de hofstede te Scheeweghe verbonden. De vermelding van de kinderen van Gooris Lantsocht als eigenaars van het overige derde deel van de Fonteyne maakt deze akte bijzonder nuttig voor de verdere reconstructie van deze Oostkampse Lantsocht-tak.
Bron
Bron: Tielt, Rechterlijke registers 1635–1664, FamilySearch film 008716328, afbeelding 448/685.
Datum: 20 mei 1655.
Onderwerp: erfelijke losrente van twee pond groten per jaar, erkend door Gooris en Adriaen Lantsocht ten voordele van Pieter de Vriese fs Jacobs.
English
Español
Français